Turboliquidatie toegestaan: rechter bevestigt juist handelen bestuurders
Mag een bestuurder kiezen voor turboliquidatie als niet alle schuldeisers volledig zijn betaald? En is die keuze achteraf verdedigbaar als een schuldeiser daar bezwaar tegen maakt? De Rechtbank Noord-Holland beantwoordt beide vragen bevestigend in een uitspraak van 28 augustus 2024 (ECLI:NL:RBNHO:2024:8639). De kern: wie de resterende middelen proportioneel verdeelt en de BV daarna zonder baten ontbindt, handelt binnen de wettelijke kaders.
Jurisprudentie in het kort
Rechtsvraag
Is een bestuurder aansprakelijk wanneer een BV met schulden via turboliquidatie wordt ontbonden, terwijl de resterende opbrengst uit de verkoop van inventaris proportioneel over schuldeisers is verdeeld?
Oordeel
Nee. De rechtbank oordeelt dat de bestuurders binnen hun beleidsvrijheid hebben gehandeld. De inventaris is verkocht en de opbrengst naar rato verdeeld over alle schuldeisers. Op het moment van ontbinding waren er geen baten meer. Faillissement was onder deze omstandigheden niet vereist.
Betekenis voor de praktijk
Deze uitspraak bevestigt dat turboliquidatie de juiste route kan zijn, ook als niet alle schuldeisers volledig zijn voldaan. De sleutel is proportionele verdeling en transparantie — wie dat aantoonbaar doet, handelt binnen de wettelijke kaders.
Wat er speelde
De bestuurders van een horecazaak besloten eind 2022 de onderneming te beëindigen vanwege tegenvallende resultaten en oplopende kosten. De verhuurder van het pand stelde als voorwaarde voor verdere onderhandeling dat eerst een deel van de huurachterstand werd voldaan. Dat bleek niet haalbaar.
De huurovereenkomst werd opgezegd. De inventaris is verkocht en de opbrengst is naar rato verdeeld over alle schuldeisers. De verhuurder ontving 4,76% van het beschikbare vermogen, in lijn met zijn aandeel in de totale schuldenlast. Daarna had de BV geen baten meer, en is zij via turboliquidatie ontbonden.
De verhuurder startte vervolgens een procedure en stelde dat de bestuurders onrechtmatig hadden gehandeld. Volgens de verhuurder had het bestuur faillissement moeten aanvragen in plaats van te kiezen voor turboliquidatie.
Waarom de rechtbank de turboliquidatie als rechtmatig beoordeelde
De rechtbank verwierp het verweer van de verhuurder op drie punten.
- Ten eerste: er waren op het moment van ontbinding geen baten meer aanwezig. De inventaris was verkocht en de opbrengst volledig verdeeld. Daarmee was voldaan aan de wettelijke voorwaarde voor turboliquidatie op grond van artikel 2:19 lid 4 BW. Faillissement was onder die omstandigheden niet vereist.
- Ten tweede: er was geen sprake van selectieve betaling of bevoordeling van bepaalde schuldeisers. De opbrengst was proportioneel verdeeld, naar rato van de openstaande vorderingen. Alle schuldeisers zijn gelijk behandeld, ook al is geen van hen volledig voldaan.
- Ten derde: de bestuurders hadden gehandeld binnen hun beleidsvrijheid. Het besluit om de onderneming te beëindigen en de resterende middelen te verdelen in plaats van faillissement aan te vragen, was een ondernemersbeslissing waarvoor geen persoonlijk ernstig verwijt kon worden gemaakt.
Wat dit betekent voor bestuurders die hun BV willen beëindigen
Deze uitspraak is om twee redenen relevant voor de praktijk.
- De eerste reden is dat de rechtbank expliciet bevestigt dat turboliquidatie niet gelijkstaat aan het ontlopen van schulden. Het bestaan van onbetaalde schuldeisers maakt een turboliquidatie niet automatisch onrechtmatig. Wat telt, is of de bestuurder de beschikbare middelen eerlijk heeft verdeeld en of de BV op het moment van ontbinding daadwerkelijk geen baten meer had.
- De tweede reden is dat de uitspraak een concreet voorbeeld geeft van wat proportionele verdeling in de praktijk betekent. Niet iedere schuldeiser hoeft volledig te worden voldaan. Wat de rechter beoordeelt, is of de verdeling evenredig was, of er schuldeisers bewust zijn gepasseerd, en of de bestuurder transparant is geweest over de afwikkeling.
Waar het verschil wordt gemaakt
Turboliquidatie is hier toegestaan omdat de bestuurders precies deden wat de wet vraagt: de resterende middelen verdelen, vaststellen dat er geen baten meer zijn, en dan ontbinden. Geen selectieve betaling, geen baten buiten beeld houden, geen informatie achterhouden.
Het klinkt eenvoudig, maar in de praktijk is dit het punt waar het vaak misgaat. Bestuurders die één schuldeiser wél betalen en een ander niet, die liquide middelen aan zichzelf uitkeren vóór ontbinding, of die de transparantieverplichtingen niet naleven, staan tegenover een rechter die dezelfde toets aanlegt maar tot een ander oordeel komt.
Wie twijfelt of zijn situatie vergelijkbaar is met de zaak die hier speelde, doet er goed aan dat vooraf te laten beoordelen. Een turboliquidatie met schulden is juridisch toelaatbaar, maar vereist dat de volgorde klopt en dat de verdeling achteraf uitlegbaar is. Dat is geen formaliteit. Dat is het verschil tussen een verdedigbaar dossier en een aansprakelijkheidsprocedure.