Turboliquidatie – onterecht een slechte naam
Turboliquidatie heeft jarenlang een slechte naam gehad. De regeling wordt regelmatig in verband gebracht met lege BV’s, onbetaalde schuldeisers en bestuurders die zich eenvoudig aan hun verplichtingen zouden kunnen onttrekken.
Dat beeld is te eenvoudig. Turboliquidatie is een wettelijke manier om een rechtspersoon te beëindigen wanneer op het moment van ontbinding geen baten meer aanwezig zijn. Ook wanneer er nog schulden openstaan, kan turboliquidatie mogelijk zijn. Het probleem zit daarom niet in de turboliquidatie zelf, maar in de manier waarop een bestuurder in de periode vóór de ontbinding met de BV, haar vermogen en haar schuldeisers is omgegaan.
Een belangrijk arrest van de Hoge Raad uit 2006, ECLI:NL:HR:2006:AZ0758, maakt duidelijk wanneer een bestuurder persoonlijk aansprakelijk kan worden tegenover schuldeisers. Hoewel deze uitspraak niet over turboliquidatie ging, zijn de daarin geformuleerde uitgangspunten nog steeds zeer relevant voor bestuurders die een BV met achterblijvende schulden willen beëindigen.
Jurisprudentie in het kort
Rechtsvraag
Wanneer kan een bestuurder persoonlijk aansprakelijk worden gehouden wanneer een schuldeiser van de BV onbetaald en zonder verhaal achterblijft? Is daarvoor voldoende dat de vennootschap haar verplichtingen niet nakomt, of moet ook de bestuurder persoonlijk een ernstig verwijt kunnen worden gemaakt?
Oordeel
De Hoge Raad oordeelt dat het onbetaald en onverhaalbaar blijven van een vordering niet automatisch leidt tot persoonlijke aansprakelijkheid van de bestuurder.
Daarvoor moet de bestuurder persoonlijk een voldoende ernstig verwijt kunnen worden gemaakt. Dat kan bijvoorbeeld het geval zijn wanneer hij namens de BV verplichtingen aangaat terwijl hij weet of redelijkerwijs behoort te begrijpen dat de BV deze niet zal kunnen nakomen en geen verhaal zal bieden. Ook kan aansprakelijkheid ontstaan wanneer de bestuurder bewerkstelligt of toelaat dat de BV haar verplichtingen niet nakomt, terwijl hij weet of behoort te begrijpen dat de schuldeiser daardoor zonder verhaal zal blijven.
In deze zaak was onvoldoende komen vast te staan dat de bestuurder een dergelijk ernstig persoonlijk verwijt kon worden gemaakt. De Hoge Raad liet de afwijzing van de aansprakelijkheidsvordering daarom in stand.
Betekenis voor de praktijk
Het enkele feit dat een BV schulden onbetaald achterlaat, maakt de bestuurder niet automatisch persoonlijk aansprakelijk. Ook bij een turboliquidatie met achterblijvende schulden is daarvoor een zelfstandige grond voor bestuurdersaansprakelijkheid nodig.
De wijze waarop de bestuurder vóór de ontbinding heeft gehandeld blijft echter belangrijk. Wanneer baten aan verhaal zijn onttrokken, verplichtingen zijn aangegaan terwijl duidelijk was dat deze niet konden worden nagekomen of schuldeisers bewust zonder verhaal zijn gelaten, kan persoonlijke aansprakelijkheid wel aan de orde komen.
Een zorgvuldig turboliquidatiedossier moet daarom niet alleen aantonen dat op het moment van ontbinding geen baten meer aanwezig waren, maar ook inzichtelijk maken hoe die situatie is ontstaan en hoe de financiële afwikkeling heeft plaatsgevonden.
Een schuld achterlaten betekent niet automatisch bestuurdersaansprakelijkheid
Een BV is een zelfstandige rechtspersoon. Dat betekent als uitgangspunt dat schulden van de BV ook schulden van de BV zijn. Een bestuurder wordt niet automatisch persoonlijk aansprakelijk wanneer de vennootschap een verplichting niet kan nakomen.
Ook het enkele feit dat een schuldeiser uiteindelijk onbetaald achterblijft, is daarvoor onvoldoende. De Hoge Raad bevestigde in ECLI:NL:HR:2006:AZ0758 dat voor persoonlijke aansprakelijkheid van een bestuurder méér nodig is. De bestuurder moet persoonlijk een voldoende ernstig verwijt kunnen worden gemaakt.
Dat onderscheid is belangrijk bij turboliquidatie met schulden. Het feit dat na ontbinding schulden achterblijven, betekent niet automatisch dat de bestuurder deze schulden persoonlijk moet betalen.
Wanneer kan een bestuurder wel persoonlijk aansprakelijk worden?
De Hoge Raad onderscheidt grofweg twee situaties. De eerste situatie is wanneer een bestuurder namens de BV verplichtingen aangaat terwijl hij op dat moment weet, of redelijkerwijs behoort te begrijpen, dat de BV deze verplichtingen niet zal kunnen nakomen en ook geen verhaal zal bieden. Een bestuurder kan bijvoorbeeld niet onbeperkt nieuwe verplichtingen blijven aangaan terwijl duidelijk is dat de onderneming feitelijk al niet meer in staat is deze te betalen.
De tweede situatie is wanneer een bestuurder bewerkstelligt of toelaat dat de BV bestaande verplichtingen niet nakomt en hem daarvan persoonlijk een voldoende ernstig verwijt kan worden gemaakt. Daarbij zijn de omstandigheden van het concrete geval bepalend. Niet iedere verkeerde beslissing leidt dus tot persoonlijke aansprakelijkheid. Er moet sprake zijn van handelen dat de bestuurder persoonlijk voldoende zwaar kan worden aangerekend.
Wat betekent dit voor turboliquidatie?
Bij een turboliquidatie moet de rechtspersoon op het moment van ontbinding geen baten meer hebben. Maar ook hier geldt: de eindbalans vertelt niet het hele verhaal. Wanneer een BV eerder nog geld, voorraad, inventaris, vorderingen of andere bezittingen had, moet kunnen worden uitgelegd wat daarmee is gebeurd. Bijvoorbeeld:
- zijn activa tegen een reële waarde verkocht?
- waar zijn ontvangen gelden aan besteed?
- welke schuldeisers zijn betaald?
- zijn er betalingen gedaan aan de bestuurder, aandeelhouder of andere gelieerde partijen?
- zijn kort voor de ontbinding nog nieuwe verplichtingen aangegaan?
- waren er nog vorderingen die mogelijk geïncasseerd konden worden?
- zijn bepaalde vermogensbestanddelen buiten het bereik van schuldeisers gebracht?
Juist deze vragen bepalen of sprake is van een normale financiële afwikkeling of van handelen waarvoor een bestuurder mogelijk persoonlijk kan worden aangesproken.
Turboliquidatie is niet hetzelfde als schulden ontlopen
Een veelvoorkomend misverstand is dat turboliquidatie gebruikt zou worden om schulden eenvoudig te laten verdwijnen.
Dat klopt niet. Door de ontbinding verdwijnen de schulden niet op magische wijze. Wel houdt de rechtspersoon op te bestaan wanneer er op het moment van ontbinding geen baten meer aanwezig zijn.
Schuldeisers kunnen vervolgens beoordelen of zij aanleiding zien om verdere stappen te ondernemen. Wanneer bijvoorbeeld blijkt dat er toch nog een bate bestaat, kan onder omstandigheden heropening van de vereffening worden gevraagd. Ook kan een bestuurder persoonlijk worden aangesproken wanneer daarvoor een zelfstandige juridische grond bestaat.
De turboliquidatie beschermt een bestuurder dus niet tegen aansprakelijkheid voor eigen verwijtbaar handelen. Maar het omgekeerde geldt eveneens: het toepassen van turboliquidatie maakt een bestuurder niet automatisch persoonlijk aansprakelijk voor de achterblijvende schulden van de BV.
Sinds 2023 geldt een uitgebreide verantwoordingsplicht
Sinds 15 november 2023 geldt de Tijdelijke wet transparantie turboliquidatie. Daardoor moet het bestuur na een turboliquidatie financiële verantwoording afleggen. Wanneer schulden achterblijven, moet onder meer inzicht worden gegeven in:
- de oorzaak van het ontbreken van baten;
- de wijze waarop eventuele eerdere baten te gelde zijn gemaakt;
- de verdeling van de opbrengsten;
- de redenen waarom één of meer schuldeisers geheel of gedeeltelijk onbetaald zijn gebleven.
Schuldeisers moeten bovendien worden geïnformeerd over de gedeponeerde stukken. Daarmee is de turboliquidatie tegenwoordig aanzienlijk transparanter dan onder de oude regeling. De verantwoordingsplicht maakt bovendien zichtbaar wat voor een goede turboliquidatie altijd al belangrijk was: de bestuurder moet kunnen uitleggen hoe de financiële positie van de BV is ontstaan.
Een goed dossier maakt het verschil
Bij een eenvoudige BV zonder schulden is de afwikkeling meestal overzichtelijk. Bij een BV met schulden ligt dat anders. Dan is niet alleen van belang dat er op de ontbindingsdatum geen baten meer zijn. Ook de periode vóór de ontbinding moet worden beoordeeld. Een zorgvuldig dossier maakt inzichtelijk:
- welke activa en financiële middelen aanwezig waren;
- hoe deze zijn afgewikkeld;
- welke betalingen zijn gedaan;
- welke verplichtingen zijn achtergebleven;
- waarom bepaalde schuldeisers niet meer konden worden betaald;
- of er transacties met bestuurders, aandeelhouders of gelieerde ondernemingen hebben plaatsgevonden;
- waarom op het moment van ontbinding geen baten meer aanwezig waren.
Als een schuldeiser achteraf vragen stelt, kan daarmee worden uitgelegd welke keuzes zijn gemaakt en waarom. Een goede onderbouwing is geen garantie dat nooit discussie ontstaat. Wel maakt zij de gevolgde afwikkeling aanzienlijk beter verdedigbaar.
Misbruik moet worden aangepakt, niet de wettelijke regeling
De negatieve beeldvorming rond turboliquidatie is voor een belangrijk deel ontstaan door situaties waarin schuldeisers werden geconfronteerd met een plotseling verdwenen onderneming en nauwelijks konden achterhalen wat daarvoor met het vermogen was gebeurd.
Dat probleem is reëel. Maar daaruit volgt niet dat turboliquidatie als wettelijke beëindigingswijze onjuist is. Wanneer een BV daadwerkelijk geen baten meer heeft, kan een reguliere vereffeningsprocedure weinig toevoegen. Er is immers niets meer te vereffenen.
De relevante vraag is daarom niet alleen óf een BV via turboliquidatie wordt beëindigd, maar vooral wat er vóór die ontbinding is gebeurd. Zijn activa correct afgewikkeld? Zijn betalingskeuzes verdedigbaar? Zijn geen vermogensbestanddelen achtergehouden? En kan de bestuurder de financiële afwikkeling uitleggen? Juist daar moet de beoordeling zich op richten.
Wat leert ECLI:NL:HR:2006:AZ0758?
Het arrest van de Hoge Raad gaat niet over turboliquidatie zelf, maar geeft wel een belangrijk uitgangspunt voor de praktijk. Het onbetaald achterblijven van een schuldeiser leidt niet automatisch tot persoonlijke aansprakelijkheid van een bestuurder.
Daarvoor moet de bestuurder persoonlijk een voldoende ernstig verwijt kunnen worden gemaakt. Voor een turboliquidatie met schulden betekent dit dat twee zaken uit elkaar moeten worden gehouden:
Een BV kan haar schulden niet meer betalen en zonder baten eindigen.
Dat is op zichzelf nog geen onbehoorlijk bestuur.
Een bestuurder kan vóór de ontbinding zodanig handelen dat schuldeisers daardoor worden benadeeld.
In dat geval kan persoonlijke aansprakelijkheid wel aan de orde komen.
Dat onderscheid is essentieel.
Conclusie: turboliquidatie vraagt om zorgvuldigheid, niet om wantrouwen
Turboliquidatie heeft naar onze mening ten onrechte het imago gekregen van een eenvoudige manier om schulden achter te laten. De wettelijke regeling is bedoeld voor een andere situatie: een rechtspersoon die geen baten meer heeft en daardoor niets meer heeft om te vereffenen.
Ook wanneer nog schulden bestaan, kan turboliquidatie mogelijk zijn. Maar juist dan moet de financiële afwikkeling vóór de ontbinding zorgvuldig worden beoordeeld en onderbouwd. Het arrest ECLI:NL:HR:2006:AZ0758 bevestigt daarbij een belangrijk uitgangspunt: het enkele feit dat een schuldeiser onbetaald achterblijft, maakt een bestuurder niet persoonlijk aansprakelijk. Daarvoor moet sprake zijn van persoonlijk verwijtbaar handelen dat voldoende ernstig is.
Bij Turboliquidatie.nl beoordelen wij daarom niet alleen of een BV op het moment van ontbinding geen baten meer heeft. Bij BV’s met schulden kijken we ook naar de financiële afwikkeling die daaraan voorafging. Waar nodig moeten posten eerst worden gecorrigeerd of keuzes nader worden onderbouwd voordat tot ontbinding wordt overgegaan.
Zo ontstaat niet alleen een formeel correcte turboliquidatie, maar vooral een dossier waarmee achteraf kan worden uitgelegd waarom deze wijze van beëindiging in de betreffende situatie verantwoord was.