| turboliquidatie ondernemer in colbert aan bureau biedt geld aan.

Mag een bestuurder schuldeisers betalen en de Belastingdienst niet bij turboliquidatie?

Wanneer een BV niet genoeg geld heeft om alle schuldeisers te betalen, moet een bestuurder keuzes maken. Welke schulden worden nog betaald? Moet de Belastingdienst altijd voorrang krijgen? En mag u bijvoorbeeld een leverancier, werknemer of andere schuldeiser wel betalen terwijl een belastingschuld achterblijft?

Deze vragen zijn bijzonder relevant wanneer u de activiteiten van een BV beëindigt en uiteindelijk tot turboliquidatie wilt overgaan.

De Hoge Raad deed hierover op 12 april 2019 een belangrijke uitspraak (ECLI:NL:HR:2019:576). De zaak zelf betrof geen turboliquidatie, maar de uitspraak geeft wel belangrijke regels voor betalingen in de periode waarin een onderneming wordt beëindigd.

De kern: selectief betalen is niet automatisch verboden. Maar zodra besloten is de onderneming te beëindigen en niet alle schuldeisers kunnen worden betaald, wordt de vrijheid van de bestuurder beperkter.

Jurisprudentie

Jurisprudentie in het kort

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
12 april 2019

Rechtsvraag

Mag een bestuurder zelf bepalen welke schuldeisers van een BV worden betaald wanneer onvoldoende middelen beschikbaar zijn om alle schulden te voldoen, ook als daardoor belastingschulden onbetaald blijven? En wanneer kan zo'n selectieve betaling leiden tot persoonlijke aansprakelijkheid wegens kennelijk onbehoorlijk bestuur?

Oordeel

De Hoge Raad oordeelt dat een bestuurder in beginsel vrij is om, op basis van een eigen afweging, te bepalen welke schuldeisers worden betaald. Dat geldt ook wanneer de Belastingdienst daardoor niet of niet als eerste wordt betaald. Van kennelijk onbehoorlijk bestuur is pas sprake wanneer geen redelijk denkend bestuurder onder dezelfde omstandigheden dezelfde betalingskeuze zou hebben gemaakt.

Deze vrijheid wordt echter beperkter zodra is besloten de activiteiten van de BV te beëindigen en onvoldoende middelen aanwezig zijn om alle schuldeisers te voldoen. In die situatie mogen gelieerde schuldeisers in beginsel niet met voorrang worden betaald, tenzij bijzondere omstandigheden dat rechtvaardigen. Hetzelfde geldt voor betalingen aan niet-gelieerde schuldeisers wanneer de bestuurder daarbij een persoonlijk belang heeft.

De Hoge Raad vernietigde de uitspraak waarin de bestuurder aansprakelijk was gesteld en verwees de zaak voor een nieuwe beoordeling aan de hand van deze maatstaven.

Betekenis voor de praktijk

Selectieve betaling is niet automatisch onrechtmatig. Voor een bestuurder wordt de betalingsvolgorde echter gevoeliger zodra duidelijk is dat de onderneming wordt beëindigd en niet alle schuldeisers kunnen worden betaald.

Bij een voorgenomen turboliquidatie met schulden moet daarom zorgvuldig worden vastgelegd welke betalingen vóór de ontbinding zijn gedaan, waarom bepaalde schuldeisers wel of niet zijn betaald en of daarbij sprake was van gelieerde partijen of een persoonlijk belang van de bestuurder. Juist deze onderbouwing is belangrijk voor een juridisch verdedigbaar dossier wanneer na de turboliquidatie vragen ontstaan over de verdeling van de laatste beschikbare middelen.

Wat speelde er in deze zaak?

De zaak ging over een BV die transportdiensten verrichtte en sterk afhankelijk was van één grote opdrachtgever. Nadat deze opdrachtgever het contract had opgezegd, kwam vast te staan dat de onderneming zou stoppen.

De bedrijfsactiviteiten werden nog enige tijd voortgezet om verplichtingen af te wikkelen. In die periode werden verschillende schuldeisers betaald, waaronder de bank en werknemers. Belastingschulden bleven echter gedeeltelijk onbetaald.

De Belastingdienst stelde de indirect bestuurder vervolgens persoonlijk aansprakelijk voor onbetaalde loonbelasting en omzetbelasting. De vraag was onder meer of de bestuurder onbehoorlijk had gehandeld door andere schuldeisers wel te betalen en de Belastingdienst niet.

Mag een bestuurder zelf bepalen wie hij betaalt?

In beginsel wel. De Hoge Raad stelt voorop dat een bestuurder in principe zelf mag bepalen welke schuldeisers van de vennootschap worden betaald. Het feit dat de ene schuldeiser wel wordt betaald en de andere niet, maakt een betaling dus niet automatisch onrechtmatig.

Dat geldt ook voor de Belastingdienst. Dat de Belastingdienst voor bepaalde belastingschulden een preferente positie heeft, betekent niet dat een bestuurder tijdens de normale bedrijfsvoering altijd verplicht is om de Belastingdienst vóór alle andere schuldeisers te betalen.

Voor persoonlijke aansprakelijkheid is meer nodig. Er moet worden beoordeeld of de bestuurder een keuze heeft gemaakt die onder de gegeven omstandigheden niet door een redelijk denkend bestuurder zou zijn gemaakt.

Bij bedrijfsbeëindiging worden de regels strenger

Voor een BV die haar normale bedrijfsactiviteiten voortzet, bestaat dus een behoorlijke vrijheid om betalingskeuzes te maken. Maar die vrijheid wordt volgens de Hoge Raad beperkter zodra is besloten de activiteiten van de BV te beëindigen en er onvoldoende middelen zijn om alle schuldeisers te betalen.

Vanaf dat moment verandert de situatie. De bestuurder weet immers dat niet meer alle schuldeisers zullen kunnen worden voldaan. Betalingen die dan nog worden gedaan, kunnen rechtstreeks bepalen welke schuldeisers uiteindelijk wel en niet met lege handen achterblijven.

De Hoge Raad noemt daarbij specifiek betalingen aan schuldeisers die aan de BV zijn gelieerd. Het is in beginsel niet toegestaan om dergelijke schuldeisers met voorrang te betalen wanneer andere schuldeisers daardoor onbetaald blijven, tenzij bijzondere omstandigheden die betaling rechtvaardigen.

Hetzelfde geldt voor een betaling aan een niet-gelieerde schuldeiser wanneer de bestuurder bij die betaling een persoonlijk belang heeft.

Selectief betalen is dus niet hetzelfde als onbehoorlijk bestuur

Dit onderscheid is belangrijk. Het is te eenvoudig om te stellen dat alle schuldeisers tijdens de beëindiging van een onderneming precies gelijk behandeld moeten worden.

Ook in deze fase kan er een goede reden bestaan om bepaalde schulden wel te betalen. Denk bijvoorbeeld aan kosten die noodzakelijk zijn om de onderneming ordelijk af te bouwen, werknemers die nog werkzaamheden verrichten of andere verplichtingen die moeten worden nagekomen om verdere schade te voorkomen.

Of een betaling gerechtvaardigd is, hangt echter af van de omstandigheden. Daarom is vooral van belang dat achteraf kan worden uitgelegd waarom een bepaalde betaling is gedaan en welk belang van de BV daarmee werd gediend.

Wat betekent deze uitspraak voor turboliquidatie?

Bij turboliquidatie moet de BV op het moment van ontbinding geen baten meer hebben. Dat is echter een momentopname. Wanneer kort vóór de ontbinding nog geld, voorraad, vorderingen of andere bezittingen aanwezig waren, is minstens zo belangrijk wat daarmee is gebeurd.

Zijn daarmee schuldeisers betaald? Welke schuldeisers? Waarom juist deze schuldeisers? Zijn er betalingen gedaan aan de bestuurder, aandeelhouder, holding of andere gelieerde partijen? Juist bij een turboliquidatie met achterblijvende schulden kunnen deze vragen achteraf belangrijk worden. Een juridisch verdedigbare turboliquidatie gaat daarom niet alleen over de vraag:

“Zijn er op de datum van ontbinding nog baten?”

Maar ook over:

“Hoe is de BV in de periode daarvoor in deze financiële positie terechtgekomen?”

De huidige turboliquidatiewetgeving maakt die onderbouwing zichtbaar

Sinds 15 november 2023 geldt de Tijdelijke wet transparantie turboliquidatie. Daardoor moet het bestuur na een turboliquidatie financiële verantwoording afleggen. Wanneer schulden achterblijven, moet onder meer worden toegelicht:

  • waarom op het moment van ontbinding geen baten meer aanwezig waren;
  • hoe eventuele eerdere baten te gelde zijn gemaakt;
  • hoe de opbrengsten daarvan zijn verdeeld;
  • waarom één of meer schuldeisers geheel of gedeeltelijk onbetaald zijn gebleven.

De wet vraagt daarmee feitelijk om inzicht in de financiële afwikkeling die aan de turboliquidatie voorafging. Dat maakt de uitspraak van de Hoge Raad uit 2019 nog steeds bijzonder relevant.

Extra aandacht voor betalingen aan gelieerde partijen

Vooral betalingen aan partijen die aan de bestuurder of de BV zijn verbonden verdienen aandacht. Denk bijvoorbeeld aan:

  • een schuld aan de persoonlijke holding;
  • een rekening-courantschuld aan de aandeelhouder;
  • een lening van de bestuurder;
  • een schuld aan een andere BV van dezelfde eigenaar;
  • betalingen waarbij de bestuurder zelf financieel voordeel heeft.

Dat betekent niet dat iedere betaling aan een gelieerde partij verboden is. De Hoge Raad laat juist ruimte voor bijzondere omstandigheden die een betaling kunnen rechtvaardigen. Maar wanneer andere schuldeisers onbetaald blijven, moet zo’n keuze goed kunnen worden onderbouwd.

En de Belastingdienst?

Ook de Belastingdienst hoeft dus niet in iedere situatie automatisch als eerste te worden betaald. De uitspraak van de Hoge Raad maakt duidelijk dat een bestuurder in beginsel zelf betalingskeuzes mag maken. Maar dat is geen vrijbrief om belastingschulden eenvoudigweg te laten liggen terwijl andere partijen worden bevoordeeld.

Zeker nadat is besloten de onderneming te beëindigen, moet kunnen worden uitgelegd waarom bepaalde betalingen nog zijn gedaan en waarom andere schuldeisers, waaronder de Belastingdienst, geheel of gedeeltelijk onbetaald zijn gebleven. De omstandigheden en de zakelijke rechtvaardiging voor de betalingskeuze zijn daarbij bepalend.

Wat betekent dit praktisch vóór een turboliquidatie?

Wanneer een BV schulden heeft en u turboliquidatie overweegt, is het verstandig niet alleen naar de huidige balans te kijken. Ook de financiële afwikkeling in de periode daarvoor moet worden beoordeeld. Daarbij zijn onder meer de volgende vragen relevant:

  1. Welke baten waren er nog aanwezig?
  2. Hoe en wanneer zijn deze baten te gelde gemaakt?
  3. Welke schuldeisers zijn met de beschikbare middelen betaald?
  4. Waarom zijn juist deze betalingen gedaan?
  5. Zijn gelieerde partijen betaald?
  6. Had de bestuurder persoonlijk belang bij bepaalde betalingen?
  7. Welke schuldeisers blijven uiteindelijk onbetaald?
  8. Kan de gemaakte betalingsvolgorde achteraf worden uitgelegd en onderbouwd?

Het antwoord op deze vragen bepaalt mede hoe verdedigbaar de financiële afwikkeling van de BV is.

De Hoge Raad stelde de bestuurder niet automatisch aansprakelijk

Ook dit is een belangrijke nuance in deze uitspraak. De Hoge Raad oordeelde niet dat iedere selectieve betaling tijdens een bedrijfsbeëindiging tot bestuurdersaansprakelijkheid leidt.

Integendeel: de Hoge Raad vernietigde de eerdere uitspraak waarin de bestuurder aansprakelijk was gehouden. De zaak werd verwezen voor een nieuwe beoordeling aan de hand van de juiste maatstaf. De omstandigheden van het concrete geval blijven dus bepalend.

Conclusie: niet alleen de eindbalans moet kloppen

Een bestuurder mag in beginsel zelf bepalen welke schuldeisers van de BV worden betaald. Ook de Belastingdienst hoeft niet onder alle omstandigheden als eerste te worden voldaan. Maar zodra besloten is de onderneming te beëindigen en onvoldoende middelen aanwezig zijn om alle schulden te betalen, worden die betalingskeuzes juridisch gevoeliger. Vooral betalingen aan gelieerde partijen of betalingen waarbij de bestuurder zelf een belang heeft, vragen om een goede rechtvaardiging.

Voor een voorgenomen turboliquidatie betekent dit dat niet alleen de eindbalans moet kloppen. Ook de weg naar die eindbalans moet kunnen worden uitgelegd. Een goed opgebouwd dossier maakt inzichtelijk welke middelen beschikbaar waren, waar deze aan zijn besteed en waarom bepaalde schuldeisers wel en andere niet zijn betaald.

Bij Turboliquidatie.nl beoordelen wij daarom bij BV’s met schulden niet alleen of er op het moment van ontbinding nog baten aanwezig zijn. Ook de voorafgaande financiële afwikkeling en relevante betalingsstromen worden meegenomen. Wanneer daar bijzonderheden uit naar voren komen, moeten deze eerst worden beoordeeld, gecorrigeerd of onderbouwd voordat tot ontbinding wordt overgegaan.

Wilt u uw BV beëindigen terwijl er nog schulden openstaan? Via onze intake brengen wij eerst de financiële en juridische situatie van de BV in kaart.