Turboliquidatie met een vergeten bate: de BV die nooit ophield te bestaan
Een BV is ontbonden. De inschrijving bij de Kamer van Koophandel is doorgehaald. Maanden later blijkt er nog een vordering te bestaan die niemand had meegenomen in de beoordeling. De gebruikelijke reflex is dan een verzoek tot heropening van de vereffening op grond van artikel 2:23c lid 1 BW. De Rechtbank Noord-Holland liet in een beschikking van 10 maart 2022 zien waarom die reflex bij een onterechte turboliquidatie op niets uitloopt. Niet omdat heropening te laat is, maar omdat er niets te heropenen valt.
Jurisprudentie in het kort
Rechtsvraag
Kan de vereffening op grond van artikel 2:23c lid 1 BW worden heropend wanneer een BV via turboliquidatie is ontbonden, terwijl achteraf blijkt dat er op het moment van het ontbindingsbesluit nog een bate aanwezig was?
Oordeel
Nee. Doordat de holding ten tijde van het liquidatiebesluit nog over een bate beschikte, is artikel 2:19 lid 4 BW niet in werking getreden en is de vennootschap op grond van artikel 2:19 lid 5 BW blijven voortbestaan voor zover de vereffening dat vergt. Een rechtspersoon die nooit is opgehouden te bestaan, kan niet herleven; de weg van artikel 2:23c lid 1 BW staat daarmee niet open. Het beroep van verzoekster op onbekendheid met de bate faalt: gelet op de e-mail van 2 juni 2015 die rechtstreeks aan haar was gericht, wist zij dit redelijkerwijs. De rechtbank wijst het verzoek af en merkt op dat de inschrijving in het handelsregister kan worden aangepast en dat de beschikking kan worden ingebracht in een procedure tegen de leningnemer.
Betekenis voor de praktijk
Een turboliquidatie waarbij een bate over het hoofd is gezien, beëindigt de vennootschap niet. De doorhaling in het handelsregister registreert dan een rechtsgevolg dat zich niet heeft voorgedaan: de BV bestaat voort als vennootschap in liquidatie, met het laatste bestuur als vereffenaar en de daarbij horende verplichtingen. Herstel loopt niet via een verzoek tot heropening, maar via correctie van de registratie en afwikkeling van de vereffening. Voor schuldeisers betekent dit dat zij de vennootschap rechtstreeks kunnen aanspreken zodra aannemelijk is dat er op het peilmoment een bate was — zonder tussenkomst van de rechter. De wetenschapstoets is objectief: wie de administratie niet zelf heeft opgebouwd, is niet ontslagen van de plicht die te doorgronden vóór het ontbindingsbesluit. Volledige vaststelling van de baten op het peilmoment, met stukken onderbouwd, is daarmee de handeling die bepaalt of het dossier achteraf verdedigbaar is.
De casus: ontbinden zonder zicht op de administratie
Verzoekster is de weduwe van de enig aandeelhouder en enig bestuurder van een holding. Na het overlijden van haar echtgenoot wordt zij zelf enig aandeelhouder en bestuurder. Op 21 februari 2017 registreert de Kamer van Koophandel dat de holding met ingang van 17 februari 2017 is opgehouden te bestaan, omdat er geen bekende baten meer aanwezig zouden zijn.
Er was wel een bate. De holding had in 2015 een bedrag van € 20.000 geleend aan de vader van de overleden bestuurder, terug te betalen zodra diens bungalow was verkocht. Die bungalow werd in 2017 verkocht. Afgelost werd er niet. Het ontbindingsbesluit was genomen zonder deze lening in de beoordeling te betrekken.
Verzoekster wil de vordering alsnog innen en verzoekt de rechtbank de vereffening te heropenen en haar tot vereffenaar te benoemen. Haar argument is praktisch: zonder heropening dreigt een ontvankelijkheidsdiscussie in de procedure die zij tegen de leningnemer wil starten, en het handelsregister vermeldt nu eenmaal dat de vennootschap niet meer bestaat.
Waarom de rechtbank het verzoek afwijst
De rechtbank zet het wettelijk kader naast elkaar. Wordt een rechtspersoon ontbonden terwijl er geen baten zijn, dan houdt hij op grond van artikel 2:19 lid 4 BW onmiddellijk op te bestaan. Zijn er wel baten, dan volgt een vereffeningsfase en blijft de rechtspersoon op grond van artikel 2:19 lid 5 BW voortbestaan, voor zover dat voor de vereffening nodig is. Artikel 2:23c lid 1 BW biedt vervolgens de mogelijkheid een verdwenen rechtspersoon te laten herleven wanneer achteraf alsnog van een bate blijkt.
Die bepalingen staan volgens de rechtbank op gespannen voet met elkaar zodra sprake is van een onterecht toegepaste turboliquidatie. De vraag is dan welke van de twee routes geldt: herleven via artikel 2:23c lid 1 BW, of voortbestaan via artikel 2:19 lid 5 BW.
Het oordeel is ondubbelzinnig. Verzoekster stelt zelf dat de holding ten tijde van het liquidatiebesluit nog over een bate beschikte. Daarmee is artikel 2:19 lid 4 BW nooit in werking getreden. De vennootschap is niet opgehouden te bestaan, maar voortblijven bestaan als vennootschap in liquidatie. De weg van artikel 2:23c lid 1 BW staat dan niet open, onder verwijzing naar arresten van de Hoge Raad uit 1995 en 2004 en naar een beschikking van het gerechtshof Amsterdam van 3 november 2020. Het verzoek wordt afgewezen.
Wetenschap wordt objectief getoetst
Verzoekster voerde aan dat zij geen kennis had van het vermogen van de holding en evenmin van de administratie, en dat feitelijk de vader van haar echtgenoot tot de ontbinding was overgegaan. Zij had erop vertrouwd dat er niets meer was.
De rechtbank gaat daar niet in mee. De lening blijkt uit een e-mail van 2 juni 2015 die rechtstreeks aan verzoekster was gericht en waarin de afspraak in gewone bewoordingen is vastgelegd. Anders dan zij stelt, wist zij dit redelijkerwijs ook, aldus de rechtbank.
Dat is de kern voor de praktijk. De toets is niet wat een bestuurder zich herinnerde op het moment van het besluit, maar wat hij op grond van de beschikbare informatie had moeten weten. Een bestuurder die de administratie niet zelf heeft opgebouwd, wordt daarmee niet ontslagen van de verplichting die administratie te doorgronden voordat hij een ontbindingsbesluit neemt. Bij overname van een bestuurdersrol na een overlijden of een bedrijfsoverdracht is dat een reële belasting, en juist daar wordt de fout gemaakt.
Wat een onterechte turboliquidatie in werkelijkheid oplevert
De afwijzing oogt als een verlies, maar de rechtstoestand die eruit volgt is verstrekkender dan een toewijzing zou zijn geweest. De holding bestaat nog. Zij is nooit verdwenen. De doorhaling in het handelsregister registreerde een rechtsgevolg dat zich niet had voorgedaan.
De rechtbank benoemt dat ook: verzoekster kan de inschrijving in het handelsregister laten aanpassen, en zij kan deze beschikking inbrengen in de procedure tegen de leningnemer. Het handelsregister volgt de werkelijkheid, niet andersom.
Voor de bestuurder betekent dit dat de ontbinding geen eindpunt heeft opgeleverd. De vennootschap bestaat voort voor zover de vereffening dat vergt, het bestuur is daarmee vereffenaar, en de verplichtingen die daarbij horen zijn niet vervallen. Ook voor schuldeisers verandert het beeld: is aannemelijk dat er op het peilmoment een bate was, dan hoeft niemand een verzoek tot herleving in te dienen. De vennootschap kan rechtstreeks worden aangesproken. Dat maakt een onterechte turboliquidatie tot een aansprakelijkheidsrisico dat jaren blijft liggen.
De volgorde die dit voorkomt
Het verschil tussen deze zaak en een verdedigbaar dossier zit in één handeling die vooraf gaat aan alles: de vaststelling van de baten op het moment van het ontbindingsbesluit, onderbouwd met stukken.
Dat betekent concreet dat de vermogenspositie wordt gereconstrueerd vóór het besluit, niet erna. Rekening-courantverhoudingen met de bestuurder of met familie, uitgeleende bedragen, vorderingen op gelieerde partijen, teruggaven van de Belastingdienst en verzekeringsclaims horen daar expliciet in thuis. Het begrip bate wordt ruim uitgelegd, en het volstaat dat het bestaan ervan aannemelijk is.
Blijkt er een bate te zijn, dan is turboliquidatie op dat moment niet de aangewezen route. De bate wordt dan eerst vereffend, waarna alsnog kan worden beoordeeld of ontbinding zonder vereffening op een later peilmoment mogelijk is. Die volgorde kost tijd, en die tijd is de prijs van een besluit dat achteraf uitlegbaar blijft. Ook wanneer er schulden achterblijven, is een BV opheffen met schulden juridisch mogelijk — mits de batenvaststelling deugt en vastligt.
Sinds de invoering van de Tijdelijke wet transparantie turboliquidatie is die vastlegging bovendien geen interne kwestie meer. Het bestuur deponeert een balans, een staat van baten en lasten en een toelichting op de ontbinding. Wat u vaststelt, wordt openbaar en achteraf toetsbaar.
Wat u nu doet
Is uw BV ontbonden en komt er alsnog een vordering, een teruggave of een aanspraak naar boven, dien dan geen verzoek tot heropening in voordat is vastgesteld of de vennootschap überhaupt is opgehouden te bestaan. Was de bate er al op het moment van het ontbindingsbesluit, dan is de vennootschap er nog en is heropening niet het juiste instrument.
Staat u aan het begin van een ontbinding, laat de baten dan vaststellen vóórdat het besluit wordt genomen. Via de intakeprocedure voor turboliquidatie wordt uw dossier op dit punt beoordeeld voordat er onomkeerbare stappen worden gezet. Werkt u als trajectmanager of bewindvoerder met dossiers waarin een BV betrokken is, dan is een kennismaking over de samenwerking de route om deze beoordeling structureel in uw traject in te bouwen.