| turboliquidatie bestuurder controleert slotbalans voor turboliquidatie van een bv

Turboliquidatie en navordering: waarom een goede onderbouwing belangrijk is

Een turboliquidatie is alleen mogelijk wanneer een BV op het moment van ontbinding geen baten meer heeft. Dat lijkt eenvoudig, maar in de praktijk vraagt dit om zorgvuldige controle en duidelijke vastlegging.

Een uitspraak van de Rechtbank Noord-Nederland (ECLI:NL:RBNNE:2026:2181, 2 juni 2026) laat zien waarom. De Belastingdienst mocht navorderen nadat een dochter-BV via turboliquidatie was ontbonden. Volgens de rechtbank beschikte de inspecteur over een nieuw feit. En, minstens zo belangrijk: de rechtbank maakte duidelijk dat een turboliquidatie niet automatisch bewijst dat er daadwerkelijk geen baten waren.

Jurisprudentie

Jurisprudentie in het kort

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
2 juni 2026

Rechtsvraag

Mocht de Belastingdienst na de turboliquidatie navorderen wegens een voordeel uit aanmerkelijk belang, en mocht daarbij worden aangenomen dat er ondanks de turboliquidatie nog een bate aanwezig was?

Oordeel

Ja. De rechtbank oordeelde dat de inspecteur beschikte over een nieuw feit en daarom mocht navorderen. Het enkele feit dat een BV via turboliquidatie is ontbonden, bewijst bovendien niet dat er op het moment van ontbinding daadwerkelijk geen baten meer waren. Uit de aangifte vennootschapsbelasting bleek nog een vordering op de balans te staan en niet was onderbouwd wat vóór de ontbinding met deze vordering was gebeurd.

Betekenis voor de praktijk

Een turboliquidatie moet aansluiten op de feitelijke en administratieve situatie van de BV. Staat in eerdere aangiften of jaarrekeningen nog een bate, zoals een vordering op een aandeelhouder, dan moet aantoonbaar zijn hoe deze vóór de ontbinding is afgewikkeld. Alleen de registratie dat de BV wegens het ontbreken van baten is opgehouden te bestaan, is daarvoor onvoldoende.

Wat speelde er in deze zaak?

De zaak draaide om een BV-structuur met een holding en een dochter-BV. De dochter-BV dreef een onderneming onder een handelsnaam. Per 1 januari 2018 werd de dochter-BV via turboliquidatie ontbonden. Bij de Kamer van Koophandel werd geregistreerd dat de vennootschap was opgehouden te bestaan omdat er geen bekende baten meer aanwezig waren.

Op diezelfde datum werd de onderneming voortgezet door de vader van een van de certificaathouders, als eenmanszaak onder dezelfde handelsnaam. De BV verdween, maar de activiteiten niet.

In de aangiften inkomstenbelasting van de certificaathouders werd geen inkomen uit aanmerkelijk belang aangegeven. De aanslagen werden conform de aangiften opgelegd. Pas later, toen de aangifte vennootschapsbelasting van de dochter-BV werd ingediend en door de inspecteur in behandeling werd genomen, kwam de ontbinding in beeld. De inspecteur vennootschapsbelasting contacteerde vervolgens de inspecteur inkomstenbelasting, waarna navorderingsaanslagen werden opgelegd.

Waarom mocht de Belastingdienst navorderen?

Voor navordering is in beginsel een nieuw feit nodig. De certificaathouders stelden dat de Belastingdienst al op de hoogte was van de ontbinding en dat er daarom geen nieuw feit kon zijn. Ook wezen zij op een vermogenssprong van circa € 200.000 in de aangifte van de vader: een schuld aan de BV die van 2017 op 2018 uit box 3 verdween. Volgens hen had die sprong de inspecteur moeten aanzetten tot nader onderzoek.

De rechtbank ging daar niet in mee. De definitieve aanslagen inkomstenbelasting waren opgelegd in juni 2019. De aangifte vennootschapsbelasting, waarin de ontbinding van de dochter-BV stond vermeld, werd pas in december 2019 ingediend en in april 2020 in behandeling genomen. Op het moment van de aanslagregeling was de inspecteur inkomstenbelasting dus niet bekend met de ontbinding. Het was een nieuw feit.

De vermogenssprong in de aangifte van de vader leidde evenmin tot een onderzoeksplicht. De inspecteur mag bij het opleggen van de aanslag uitgaan van de juistheid van de aangiften, tenzij er concrete aanleiding is om te twijfelen. Die aanleiding was er volgens de rechtbank niet.

Turboliquidatie is geen automatisch bewijs dat er geen baten waren

Hier zit het belangrijkste punt voor de turboliquidatiepraktijk.

De certificaathouders voerden aan dat de turboliquidatie op zichzelf bewees dat er geen baten meer waren. Als de BV was geturboliquideerd, dan konden er per definitie geen baten meer zijn, en dus ook geen positief vervreemdingsvoordeel.

De rechtbank verwierp dat standpunt. Het feit dat gebruik is gemaakt van een turboliquidatie brengt niet automatisch met zich mee dat er daadwerkelijk geen baten waren ten tijde van de liquidatie. Uit de eerder ingediende aangiften vennootschapsbelasting bleek namelijk dat de dochter-BV een vordering op de vader op de balans had staan. Uit het dossier bleek niet dat deze vordering vóór de ontbinding was kwijtgescholden of via een dividenduitkering was verrekend.

Ter zitting probeerde de gemachtigde van de certificaathouders mogelijke scenario’s te schetsen waardoor de vordering zou zijn verdwenen: kwijtschelding, of uitkering als dividend. Maar geen van deze scenario’s was onderbouwd met stukken. De rechtbank kwalificeerde het als “gegis” en volgde de berekening van de inspecteur.

Het gemiste detail: de boekhouder en de geruisloze terugkeer

Wat de zaak extra pijnlijk maakt, is een fiscaal detail dat in de achtergrond meespeelt. De boekhouder van de BV was in de veronderstelling dat sprake was van een geruisloze terugkeer, de fiscale route waarbij een onderneming zonder directe belastingheffing vanuit een BV wordt voortgezet als eenmanszaak. Maar voor die route is een goedkeurende beschikking van de Belastingdienst nodig, en die was nooit aangevraagd.

Dat betekent dat de overdracht van de onderneming fiscaal niet correct was afgewikkeld. De turboliquidatie was het formele eindpunt, maar de fiscale voorbereiding ervoor ontbrak. Het gevolg: navorderingsaanslagen, procedures en kosten die voorkomen hadden kunnen worden.

Wat dit betekent voor bestuurders en certificaathouders

Deze uitspraak bevestigt twee punten die voor de turboliquidatiepraktijk direct relevant zijn.

Het eerste punt: een registratie bij de Kamer van Koophandel dat de BV is opgehouden te bestaan, is geen bewijs dat er geen baten waren. De rechtbank kijkt naar de feitelijke situatie: stonden er nog vorderingen op de balans, wat is er met activa gebeurd, en is dat aantoonbaar? Wie dat niet kan onderbouwen, staat zwak.

Het tweede punt: turboliquidatie en fiscale afwikkeling zijn onlosmakelijk verbonden. Een turboliquidatie die vennootschapsrechtelijk correct is (geen baten op het moment van ontbinding), kan fiscaal alsnog problemen opleveren als de overgang van BV naar eenmanszaak niet goed is geregeld, als een vordering op een aandeelhouder niet is afgewikkeld, of als het inkomen uit aanmerkelijk belang niet correct is aangegeven.

Juist daarom is turboliquidatie geen puur juridische handeling. Het is een traject dat juridische, fiscale en administratieve expertise vraagt, in de juiste volgorde. Wie één van die disciplines overslaat, loopt het risico dat de andere twee alsnog tot problemen leiden.

Conclusie

De BV is weg. De aansprakelijkheid niet. Deze uitspraak maakt duidelijk dat een turboliquidatie geen papieren formaliteit is. De administratie moet aansluiten op het besluit tot ontbinding. Een vordering, een banktegoed of een ander recht met waarde kan voldoende zijn om achteraf vragen op te roepen, van schuldeisers én van de Belastingdienst.

Wie die vragen vooraf beantwoordt en vastlegt, bouwt een verdedigbaar dossier. Wie ze pas achteraf onder ogen ziet, eindigt met navorderingsaanslagen, procedures en kosten die voorkomen hadden kunnen worden.