Turboliquidatie en bestuurdersaansprakelijkheid: uitleg van de uitspraak Rechtbank Limburg
De turboliquidatie uitspraak Rechtbank Limburg 2026 (ECLI:NL:RBLIM:2026:326, 21 januari 2026) beantwoordt een vraag die veel bestuurders bezighoudt: wat als een schuldeiser met een veroordelend vonnis ontdekt dat de BV inmiddels via turboliquidatie is ontbonden? De rechtbank wijst alle vorderingen tegen de bestuurder af, op vijf afzonderlijke grondslagen. De turboliquidatie houdt stand.
Jurisprudentie in het kort
Rechtsvraag
Is een bestuurder persoonlijk aansprakelijk wanneer een BV via turboliquidatie wordt ontbonden terwijl een schuldeiser een veroordelend vonnis van ruim € 96.000 heeft dat niet meer kan worden verhaald?
Oordeel
Nee. De rechtbank oordeelt dat op geen van de vijf aangevoerde grondslagen persoonlijke aansprakelijkheid kan worden aangenomen. De turboliquidatie was terecht toegepast: er waren op het moment van ontbinding geen baten meer, er zijn geen activa weggemaakt, en het achterwege laten van vereffening heeft de vermogenstoestand van de BV niet gewijzigd.
Betekenis voor de praktijk
Een turboliquidatie met schulden houdt stand wanneer de BV daadwerkelijk batenvrij was en de bestuurder geen activa heeft onttrokken of selectief heeft betaald. De schuldeiser draagt de bewijslast, en het enkele bestaan van een onbetaalde vordering maakt een turboliquidatie niet onrechtmatig. Betaling aan een preferente schuldeiser (zoals de Belastingdienst) vóór ontbinding is op zichzelf geen selectieve betaling.
Wat er speelde
Een BV sloot in januari 2020 een koopovereenkomst voor een bedrijfspand van € 425.000. De overeenkomst bevatte een financieringsvoorbehoud. Na het sluiten van de overeenkomst wezen zowel de Rabobank als de ING Bank de financieringsaanvraag af, de Rabobank mede vanwege de coronacrisis.
De verkoper ontbond de koopovereenkomst en vorderde de contractuele boete van € 42.500 en aanvullende schadevergoeding. Bij vonnis van 13 juli 2022 werd de BV veroordeeld tot betaling van in totaal ruim € 96.000. De BV kon dat bedrag niet voldoen.
Per 1 augustus 2024 is de BV via turboliquidatie ontbonden. De bestuurder vulde het formulier “Tijdelijke wet transparantie turboliquidatie” in, waarin hij toelichtte dat alle activiteiten sinds medio 2019 waren gestaakt en dat in 2022 een feitelijke vereffening had plaatsgevonden waarbij schuldeisers waren betaald. Na die vereffening resteerden geen activa meer.
De verkoper stelde vervolgens de bestuurder persoonlijk aansprakelijk voor het volledige bedrag van het vonnis.
Waarom de rechtbank alle vorderingen afwijst
De schuldeiser voerde vijf grondslagen aan. De rechtbank verwierp ze alle vijf.
Niet informeren over de turboliquidatie. De schuldeiser stelde dat de bestuurder haar niet, althans niet correct, had geïnformeerd over de ontbinding. De rechtbank oordeelt dat er geen verplichting bestaat om schuldeisers vooraf te informeren over het voornemen tot turboliquidatie. De mededelingsplicht uit artikel 2:19b lid 2 BW geldt achteraf, maar aan niet-naleving van die bepaling is geen sanctie verbonden. Dat alleen is daarom onvoldoende voor onrechtmatigheid. Bovendien is niet gebleken dat de schuldeiser door het niet tijdig informeren schade heeft geleden.
Beklamel-norm (lichtvaardig contracteren). De schuldeiser stelde dat de bestuurder wist of had moeten begrijpen dat de BV de koopovereenkomst niet kon nakomen. De rechtbank oordeelt dat het peilmoment pas ná het sluiten van de overeenkomst lag. De bestuurder had een bedrijfsplan voor nieuwe activiteiten en had een financieringsvoorbehoud bedongen. De afwijzingen van de banken kwamen pas maanden later, mede als gevolg van de coronacrisis. Dat was voor de bestuurder niet voorzienbaar.
Frustratie van betaling en verhaal (New Holland Belgium-norm). De schuldeiser stelde dat de bestuurder door het achterwege laten van vereffening haar verhaalsmogelijkheden had gefrustreerd. De rechtbank oordeelt dat ook bij een reguliere vereffening de BV niet aan haar verplichtingen had kunnen voldoen. Er zijn geen activa weggemaakt. De turboliquidatie heeft de vermogenstoestand van de BV niet gewijzigd. En als de vermogenstoestand niet verandert, kan de schuldeiser niet door de turboliquidatie zijn benadeeld.
Misleidende jaarrekeningen. De schuldeiser stelde dat de bestuurder onjuiste cijfers had verstrekt. De rechtbank oordeelt dat de gedeponeerde jaarrekening correct was. Fouten in later verstrekte cijfers betroffen jaren ná het sluiten van de koopovereenkomst en hadden geen causaal verband met de gestelde schade.
Onterecht achterwege laten vereffening. De schuldeiser stelde dat er ten tijde van de ontbinding nog baten waren: een vordering op de bestuurder wegens wanbeleid, de vordering van de schuldeiser zelf, en een verzekeringsuitkering van € 5.000. De rechtbank oordeelt op alle drie de punten: de vordering wegens wanbeleid is niet onderbouwd, een vordering van een schuldeiser op de BV is geen bate van de BV, en de verzekeringsuitkering was al betaald aan de Belastingdienst als preferente schuldeiser.
Wat dit betekent voor bestuurders die turboliquidatie overwegen
Deze uitspraak is om drie redenen relevant voor de turboliquidatiepraktijk.
De eerste reden is dat de rechtbank bevestigt dat het achterwege laten van vereffening op zichzelf geen onrechtmatigheid oplevert. Als de BV ook bij vereffening niet aan haar verplichtingen had kunnen voldoen, verandert de turboliquidatie niets aan de positie van de schuldeiser. De keuze voor turboliquidatie in plaats van vereffening is dan geen bron van schade.
De tweede reden is de nuancering rond de mededelingsplicht van de TWTT. De rechtbank maakt expliciet dat niet-naleving van artikel 2:19b lid 2 BW geen sanctie kent en op zichzelf onvoldoende is voor een onrechtmatigheidsoordeel. Dat betekent niet dat de mededelingsplicht onbelangrijk is, maar wel dat het ontbreken van een correcte mededeling alleen niet voldoende is om de bestuurder aansprakelijk te stellen.
De derde reden betreft het onderscheid tussen een vordering op de BV en een bate van de BV. Een schuld die de BV heeft aan een schuldeiser is voor die schuldeiser een vordering, maar het is geen bate van de BV. Dat klinkt logisch, maar in de praktijk wordt dit onderscheid regelmatig door schuldeisers gebruikt als argument dat de BV niet batenvrij was. De rechtbank verwerpt dat ondubbelzinnig.
Waar de voorbereiding het verschil maakte
De bestuurder in deze zaak kon onderbouwen dat de BV op het moment van ontbinding daadwerkelijk batenvrij was. De activiteiten waren al jaren gestaakt. De resterende activa waren betaald aan de preferente schuldeiser. Het TWTT-formulier was ingevuld met een toelichting op de oorzaak van het ontbreken van baten en de wijze van afwikkeling.
Dat is precies het soort dossier dat bij een rechterlijke toetsing standhoudt. Niet omdat het onkwetsbaar is, maar omdat het de vragen beantwoordt die de rechter stelt: waren er baten, hoe zijn die afgewikkeld, waarom zijn bepaalde schuldeisers onbetaald gebleven, en heeft de turboliquidatie de positie van de schuldeiser verslechterd?
Wie die vragen vooraf kan beantwoorden, bouwt een verdedigbaar dossier. Wie ze pas achteraf onder ogen ziet, staat tegenover een rechter die dezelfde vragen stelt maar dan vanuit het perspectief van een schuldeiser die € 96.000 kwijt is. Deze bestuurder stond er goed voor. De turboliquidatie uitspraak Rechtbank Limburg 2026 bevestigt: dat was niet toevallig, maar het gevolg van een zorgvuldige afwikkeling voorafgaand aan de ontbinding.


Rijksoverheid
Afbeelding van ar130405 via Pixabay
Evensis Media BV
Image by Pexels from Pixabay 
Foto: Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE), Amersfoort / documentnr. IvhB-0353